rubrieken

Herinneringen aan | Strenge winters

Herinneringen aan Strenge winters

met Anja van der Roest

Hoewel Anja van der Roest al een groot aantal jaar in Griekenland woont, voelt ze zich Vinkeveense tot in het diepst van haar vezels. Ze groeide op aan de Herenweg, in een van de huisjes naast Jachthaven Borger. Hoewel de écht strenge winters volgens Anja nog vòòr haar tijd waren, weet de Vinkeveense veel herinneringen op te halen over vorst, schaatsen en sneeuw.

Anja van der Roest

“Toen ik op de lagere school zat, was het elke winter raak met sneeuw en ijs.” Anja ging naar de protestantse basisschool, toen nog gevestigd aan de Herenweg in Vinkeveen. “Het gebouw moest worden warmgestookt met oliekachels. Soms was het zo koud dat dat niet lukte. Dan kregen wij ijsvrij. Dat was altijd pret, want dan konden we het ijs op.’’ Anja schaatste op haar houten doorlopers. “Die moest je goed onderbinden, anders schoten ze binnen een paar slagen los’’, lacht zij. “Wij hadden altijd geluk als mijn oom langskwam. Hij werkte bij slagerij De Haan en moest regelmatig bestellingen rondbrengen. Als hij langsreed, maakte hij onze doorlopers goed strak vast. Dan kon je tenminste fijn schaatsen. Ik heb het geleerd achter een stoel. Zo ging dat vroeger.’’

 

“Gat van Bus”

Toen Anja wat ouder werd, kreeg ze kunstschaatsen. “Daarmee gingen we naar het Gat van Bus, het plasje naast de gereformeerde kerk. Daar woonde vroeger Hendrik Hoogendoorn, een van de nazaten van de familie Bus. Iedereen wist wat je bedoelde als je zei dat je op het ‘gat van Bus’ ging schaatsen. Als het hard gevroren had, kon je daarvandaan over de ringvaart naar het Meertje. Dat was helemaal prachtig. Onderweg stopten we nog even aan de ‘Akker’, een stuk land achter Achterbos, waaraan mijn opa en oma woonden.’’

“Zo ging dat op het ijs: je hielp elkaar en je leerde van elkaar.’’

Saamhorigheid

Zodra er ijs ligt, is iedereen eensgezind. Zo heeft Anja het ook ervaren. “Ik weet nog dat er een keer een man was, die me leerde zwieren. Ik had kunstschaatsjes en ik oefende veel, maar jezelf iets nieuws aanleren viel niet mee. Samen met hem heb ik wat rondjes gezwierd. Ook weet ik nog dat ik tips kreeg van een mevrouw om wat langer uit te glijden. Zo ging dat op het ijs: je hielp elkaar en je leerde van elkaar.’’

Dat er ooit iemand door het ijs gezakt is, weet Anja niet. Maar één nare herinnering heeft zij wel: “Op het Gat van Bus was een meisje gevallen. Toen is een ander over haar vingers heen geschaatst. Gelukkig heb ik dat niet zelf gezien, maar ik weet nog wel dat ik vanaf dat moment echt bang was om te vallen.’’

Zodra ze thuis kwam, wachtte het opwarmen aan de kachel. “In de kamer stond een oliekachel, maar in de keuken hadden we een kolenkachel staan, zo een met een deksel erop. Als we ’s avonds naar bed gingen, kregen we allemaal een kruik mee want op onze slaapkamers was het steenkoud. Omdat moeder niet voor iedereen een kruik had, kregen we om beurten het deksel van de kachel aan ons voeteneind. Ingepakt in stofdoeken zodat we ons niet zouden branden. Als je dan ’s nachts wakker werd, was dat ijzeren ding zo afgekoeld dat je hem uit je best moest trappen, zo koud was hij geworden.’’

 

Schaatsen in de winter was voor Anja net zo vanzelfsprekend als zwemmen in de zomer. “Vanuit ons huis kon je zo het ijs op. Je bond je schaatsen onder en je ging. Dat was zo heerlijk. En ’s zomers trok je je bikini aan en je sprong in het water. Je had geen reistijd, niets. Een grote luxe.’’

Geen reactie's

Geef een reactie